Kerk_005.jpg

Binnenkort

  • ma 24 feb. (19:00 - )
    Zendingsavond
  • di 25 feb. (21:15 - 22:00)
    Ledenvergadering
  • wo 04 mrt. (19:45 - 21:30)
    Gemeenteavond met ds. Vreugdenhil
  • za 07 mrt. (09:00 - 10:00)
    Doopzitting
  • zo 15 mrt. (09:30 - )
    Bediening HD
  • wo 18 mrt. (10:00 - 12:00)
    Inloopochtend
  • wo 25 mrt. (14:30 - 16:15)
    Bijbelverspreiding dhr. A.H. van der Toorn
  • di 31 mrt. (19:45 - )
    Jaarlijkse ledenvergadering
  • za 04 apr. (08:00 - )
    Paaspakketten
  • wo 29 apr. (14:30 - 16:15)
    Rien Mouw natuurfotograaf leven op de Veluwe
  • Nogmaals de oorlogen van David

    "Wees sterk en laat ons sterk zijn voor ons volk en voor de steden onzes Gods; de HEERE nu doe wat goed is in Zijn ogen."
    2 Samuel 10:12

    David heeft vele oorlogen moeten voeren. Hij heeft gestreden tegen de Filistijnen (2 Samuel 5), tegen de Syriërs en de Edomieten (2 Samuël 8) en tegen de Moabieten en de Ammonieten (2 Samuël 10). Om deze oorlogen tegen de vijanden van Israël op een goede en doeltreffende manier te kunnen voeren, moest er heel wat georganiseerd worden. Bij het nagaan van de organisatie van het rijk komen we onder de indruk van de wijze waarop David de zaken heeft georganiseerd. Als koning nam hij verschillende maatregelen om het binnenlands bestuur, het leger, de rechtspraak en het belastingstelsel te ordenen. Hij handhaafde de orde van de twaalf stammen met als hoofden daarvan de oudsten. Dat was immers de natuurlijke orde die de Heere Zelf bij Zijn volk had aangebracht.
    Mozes had reeds door middel van de oudsten het bestuur over Israël uitgeoefend. David bleef bij dit oude patroon. Daarnaast stelde hij verschillende ambtenaren aan (2 Samuel 8:16-18). Verder organiseerde hij een leger. Het leger bestond uit 288.000 manschappen. Elke maand moest een twaalfde deel van de manschappen opkomen om in het leger te dienen. Het opperbevel berustte bij Joab.
    Ook waren er bijzondere afdelingen in het leger. Daar was het keurkorps van de Gethieten, 600 man onder leiding van Abisaï. Ook had David een lijfwacht, de Krethi en de Plethi. Benaja had het bevel over dit elitekorps dat waarschijnlijk uit Filistijnen bestond. De rechtspraak was ondergebracht bij 6.000 levieten. De belasting moest opgebracht worden in natura. De erediensten bleven bestaan op twee verschillende plaatsen, te Gibeon en te Jeruzalem. Ook bleven er twee hogepriesters, Zadok en Abjatar. De priesters en de levieten waren verdeeld in 24 klassen, die om beurten dienst deden. Uit al deze dingen mag wel duidelijk zijn dat de Heere David op een bijzondere wijze heeft willen bekwamen om het volk te leiden. Daarbij was het zijn streven om het volk te maken tot een nationale en vooral geestelijke eenheid. Om dit doel te bereiken kon David niet om de oorlogen tegen de vijanden van Israël heen. In de woorden van Joab klinkt het motief voor deze oorlogen door: ‘Wees sterk en laat ons sterk zijn voor ons volk en voor de steden onzes Gods; de HEERE nu doe wat goed is in Zijn ogen.’
    ‘Voor God en voor het volk’ was het wachtwoord. ‘Laat ons dapper zijn uit een beginsel van liefde voor Israël, dat ons volk is, van eenzelfde oorsprong als wij, voor hetwelk wij ten strijde zijn uitgetogen en in wiens vrede wij vrede zullen hebben; en uit een beginsel van liefde tot God, want het zijn Zijn steden, om welke te beschermen wij strijden’ ( verklaring M. Henry). Joab moedigt zijn manschappen aan. Hij plaatst daarbij de verhouding tot God en tot het volk op de voorgrond. Zo wilde men toen strijden, vanuit de liefde tot God en Zijn volk. Daarbij liet Joab de uitkomst aan de Heere over. Laten wij trouw zijn aan onze plicht, zo zegt de generaal, dan mogen wij de uitslag goedsmoeds aan de Heere over laten. Nee, Joab bouwt niet op de dapperheid van zijn leger. Ook ligt voor hem de garantie van de overwinning niet in de bekwaamheid en de ervaring van zijn soldaten. Het ligt in Gods hand! En ze zijn met de Heere niet beschaamd uitgekomen. Hij gaf hen de overwinning. De uitkomst lag voor Gods rekening. Hij maakte het zo dat Israël de overwinning behaalde over de Syriërs en over de Ammonieten. Daarmee werd de belofte aan Abram vervuld, dat Israël zich zou uitstrekken tot aan de Eufraat (Genesis 15:18).
    Opnieuw staat Israël en met name Jeruzalem midden in de branding van politieke spanning. Wat zal er allemaal nog gaan gebeuren? Opmerkelijk is dat de pro-Israël gevoelens schijnen af te nemen. Ook in Nederland horen we meer en meer kritische geluiden richting Israël en positieve geluiden richting de Palestijnen. Het mag duidelijk zijn waar onze sympathie ligt.
    Maar deze sympathie gaat niet richting Israël vanwege nationalistische gevoelens in de eerste plaats. Het ligt dieper als het goed is. Er is verbondenheid vanwege God en vanwege het voorgeslacht. Verbondenheid ook vanwege de beloften die er voor Israël liggen in de Schrift. Maar dan ligt ook de uitkomst in Gods hand. Laat zo ons gebed voor Israël zijn.
    De oorlogen die David voerde waren hard en bloedig. Toch mogen wij hem niet van onrechtvaardigheid beschuldigen in het voeren van zijn oorlogen. Dat blijkt onder meer uit het volgende. In 2 Samuel 9, het voorgaande hoofdstuk, lezen wij van de weldadigheid die David betoonde aan Mefiboseth om Jonathans wil. In 2 Samuel 10, waarin het inderdaad over de oorlogen tegen Israëls vijanden gaat, lezen wij ook van Davids weldadigheid die hij bewijzen wil aan de koning van de Ammonieten (vers 2). Maar David wordt door Hanun verdacht in zijn weldadigheid. Davids knechten worden schandelijk vernederd. Dit was niet anders dan een oorlogsverklaring en een uiting van bittere vijandschap. Was het dan onrechtvaardig dat David ten strijde trok tegen hen die zijn weldadigheden afwezen?
    Hier ligt voor ons een waarschuwing in. Ook tot ons zendt de Heere Zijn knechten met de boodschap van weldadigheid om Jezus wil, zelfs voor de voornaamste van de zondaren. Wie deze boodschap versmaadt moet voor Gods straffen beven. Heeft de Heere Jezus niet gezegd: ‘Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Degene Die Mij gezonden heeft’ (Lukas 10:16).
    ‘Want Christus beschouwt de beledigingen en het kwaad Zijn dienaren aangedaan, als Hemzelf aangedaan, en zal er dienovereenkomstig wraak over doen’ ( verklaring M. Henry).

    Ds. W. Harinck

    Contact WebMaster