banner_kerk5.jpg
joomla responsive menu free

Inzamelactie Biddag 2020

nieuwsflits

Verkiezing Predikant

Binnenkort

  • zo 01 mrt. (20:15 - 21:00)
    Zing-Mee-Avond
  • wo 04 mrt. (19:45 - 21:30)
    Gemeenteavond met ds. Vreugdenhil
  • za 07 mrt. (09:00 - 10:00)
    Doopzitting
  • zo 15 mrt. (09:30 - )
    Bediening HD
  • wo 18 mrt. (10:00 - 12:00)
    Inloopochtend
  • wo 25 mrt. (14:30 - 16:15)
    Bijbelverspreiding dhr. A.H. van der Toorn
  • di 31 mrt. (19:45 - )
    Jaarlijkse ledenvergadering
  • za 04 apr. (08:00 - )
    Paaspakketten
  • wo 29 apr. (14:30 - 16:15)
    Rien Mouw natuurfotograaf leven op de Veluwe
  • wo 27 mei. (14:30 - 19:00)
    Student De Raaf
  • Contact WebMaster

    De verwondering van Mefiboseth

    "Toen boog hij zich en zei: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een dode hond, als ik ben?"
    2 Samuel 9:8

    Groot is de weldadigheid die David aan Mefiboseth bewijst. David geeft hem al de landerijen die vroeger van Saul geweest zijn en verleent hem daar bovenop het voorrecht dat hij mag eten aan de tafel van de koning. Bij het horen van dit alles buigt Mefiboseth opnieuw. In verwondering maakt hij zich opnieuw klein voor de koning en zegt: ‘Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een dode hond, als ik ben?’ Wat een onderdanigheid. Mefiboseth vergelijkt zichzelf met een hond. De hond werd in die tijd voor een verachtelijk en onrein dier gehouden. En een dode hond heeft zelfs helemaal geen nut. Mefiboseth kan het niet begrijpen dat David hem zo goedgunstig wil zijn. Aan hem, de onwaardige, bewijst de koning grote genade. Mefiboseth verwondert zich niet alleen over de voorrechten die de koning hem geeft. Vooral uit hij zijn verwondering dat David naar hem heeft omgezien. Terwijl hij zijn dagen in ellende doorbracht in Lodebar, dacht de koning aan hem. Dat is toch niet te begrijpen! Mefiboseth kan het onmogelijk verklaren. Hij kan er, in zichzelf, geen argumenten voor vinden. Daarom vraagt hij wat de koning bewoog om aan hem te denken. Het antwoord is dat het geheel buiten Mefiboseth is omgegaan; het geheim ligt verklaard in het verbond tussen David en Jonathan, de vader van Mefiboseth.
    Zo kwam Mefiboseth aan de tafel van de koning te zitten. Iedere keer weer zal het voor Mefiboseth een wonder geweest zijn dat de koets van de koning hem kwam halen en dat hij ‘geduriglijk’ (vers 13) plaats mocht nemen aan de tafel van de koning.
    David onderhield hem. Dagelijks was er de zorg voor de kreupele, voor een dode hond. De zegen van het verbond hield voor Mefiboseth met één keer zitten aan de tafel van de koning niet op. Vanwege de trouw aan het verbond was er iedere dag een plaats voor hem bij de koning.
    Kunt u, kun jij iets meemaken van de verwondering van Mefiboseth? Wanneer God ons, in de nacht van onze verlorenheid, weldadigheid bewijst, zeggen wij het Mefiboseth in verwondering na: ‘Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een dode hond, als ik ben?’
    Waar ik onder het gezicht van mijn hemelhoge schuld weg moet zinken en nergens meer op rekenen kan, omdat alle weldadigheid verzondigd is, wordt het zo’n eeuwig wonder te mogen delen in het ‘nochtans’ van Gods genade. Onverwacht en ongedacht bewijst de Heere Zijn ontferming aan onwaardigen. Wat brengt dit een verwondering en aanbidding met zich mee. Dan weten we niet hoe diep voor God te buigen. Dan staan we heilig verlegen met de zegeningen die Hij ons, dode zondaren, schenkt. Met Mefiboseth roepen we het uit: Wat heeft U toch bewogen om naar mij om te zien? Ik die nooit naar U heb gezocht of gevraagd. Dat U mij genadig wilt zijn, zo één als ik!
    De Heere leert Zijn kinderen iets van het verbondsgeheim kennen. Dan gaan ook wij verstaan dat het helemaal buiten ons om gaat. Onze verdiensten en waardigheid doen niet mee. Alleen om het bloed van het verbond, dat betere dingen spreekt dan Abel, doet God weldadigheid aan een dode hond. Christus Zelf spreekt er zo teer van: ‘Het is uws Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven’ (Lukas 12:32).
    Hier schittert eeuwige liefde, soevereine genade. Zo is het ‘door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen.’ Alleen die Gods bemoeienissen met een in zichzelf dode hond leren kennen, maken iets mee van deze verwondering.
    Mefiboseth kon vertellen waar David hem gevonden had en hoe hij tot de koning was gebracht. Hij wist van het buigen voor de koning. Daar dacht hij dat de slag zou vallen, maar in plaats van de slag ontving hij weldadigheid.
    Ja, aan Mefiboseths verwondering was wel wat vooraf gegaan. Hoe zou Gods weldadigheid een wonder kunnen zijn als we niet weten van de grote nood en dood waaruit Hij zondaren verlost?
    De verwondering in het leven van de Kerk wordt er niet minder op. Wat een weldadigheid dat de Heere steeds maar weer opnieuw de koninklijke wagen uit laat gaan om ons mee te nemen en een plaats te geven in Zijn huis en aan Zijn tafel, om daar te eten van de geestelijke spijs en drank van de Koning der koningen en de Heere der heren. Ondanks onze ontrouw, afkerigheid en ellende blijft Hij getrouw, Hij kan Zichzelf niet verloochenen. Dan zingen we met de stille verwondering:
    ‘Uw macht is groot, Uw trouw zal nooit vergaan;
    Al wat Gij ooit beloofd hebt, zal bestaan.
    De heiligheid is voor Uw huis, o HEER,
    Eeuw uit, eeuw in, tot sieraad en tot eer.’
    (Psalm 93:4)

    Ds. W. Harinck