kerk_002.jpg

Binnenkort

  • wo 19 feb. (14:30 - 16:15)
    Shaare Zedek mevr. v.d. Berg
  • ma 24 feb. (19:00 - )
    Zendingsavond
  • di 25 feb. (21:15 - 22:00)
    Ledenvergadering
  • za 07 mrt. (09:00 - 10:00)
    Doopzitting
  • zo 15 mrt. (09:30 - )
    Bediening HD
  • wo 18 mrt. (10:00 - 12:00)
    Inloopochtend
  • wo 25 mrt. (14:30 - 16:15)
    Israël en de Joodse godsdienst dhr. G. Kranendonk
  • di 31 mrt. (19:45 - )
    Jaarlijkse ledenvergadering
  • za 04 apr. (08:00 - )
    Paaspakketten
  • wo 29 apr. (14:30 - 16:15)
    Rien Mouw natuurfotograaf leven op de Veluwe
  • De dood van Isboseth

    "Nu dan, zou ik zijn bloed van uw handen niet eisen, en u van de aarde wegdoen?"
    2 Samuël 4:11

    Dit Schriftgedeelte maakt ons getuige van een gruwelijke moord. Twee officieren van Isboseth, Baena en Rechab, maken een einde aan zijn leven en daarmee ook een einde aan zijn regering. Met de dood van Abner had Isboseth zijn belangrijkste steun verloren. De beide moordenaars dringen het paleis binnen onder het voorwendsel daar tarwe te komen halen en vermoorden de koning tijdens zijn middagslaap. In de hoop van David een beloning te ontvangen, nemen zij het hoofd van de koning en brengen dit naar Hebron. David ontsteekt echter in toorn en geeft bevel de moordenaars te straffen en het hoofd van Isboseth te begraven in het graf van Abner te Hebron.
    Van Sauls huis is nu niemand meer over die Isboseth kan opvolgen. De enige, die nog in aanmerking zou kunnen komen, is Mefiboseth. Hij is een zoon van Jonathan, maar hij is kreupel. Toen hij vijf jaar oud was, had zijn verzorgster hem laten vallen, toen zij wegvluchtte uit Jizreël na de dood van Saul en Jonathan.
    David heeft het ombrengen van Isboseth gezien zoals we het moeten zien, namelijk als een gruwelijke moord. De moordenaars van Isboseth proberen hun daad te rechtvaardigen door te zeggen dat ze het voor David hebben gedaan. Hij moet toch koning worden over Israël? Dat is toch de wil van God? Ze beroepen zich erop een instrument in Gods hand te zijn om David op de troon te helpen. Ze hebben er niet bij gezegd dat het hen alleen om een flinke beloning en eer te doen was. David heeft het boze gedrag van deze beide mannen echter onmiddellijk doorzien.
    Hij heeft deze mannen en hun gruwelijke daden helemaal niet nodig om de troon van Israël te kunnen beklimmen. Hij heeft een betere helper. De Heere is zijn Helper. ‘Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die mijn ziel uit alle benauwdheid verlost heeft’ (vers 9). Met de Heere is hij al door zoveel beproevingen en moeilijkheden gekomen, dat hij geen hulp van goddelozen nodig heeft. Op de Heere alleen wil David zijn betrouwen stellen. Hij mag geloven dat de Heere Zijn belofte zeker vervullen zal, ook al zijn er moeilijkheden, zelfs onmogelijkheden in het oog van de mensen. Toch wil David niet te rade gaan bij vlees en bloed. Zijn verwachting is van de Heere alleen. De Heere heeft hem al zo vaak, zo menigmaal verlost. ‘In zes benauwdheden zal Hij u verlossen, en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren.’ Dat heeft de Heere waargemaakt voor David.
    Het mag ons niet ontgaan dat David zich hier vastberaden uitspreekt. Hij getuigt van de uitkomst alsof deze al een feit is. Zo verwacht het geloof alles van de Heere in moeilijke of zelfs onmogelijke omstandigheden. Het geloof heeft groot krediet op God, Die verlost heeft en nog verder verlossen zal.
    Op Gods tijd en wijze wordt de belofte vervuld. De wandaden van de moordenaars van Isboseth dwingen bij David geen enkel respect af. Integendeel, hij gruwt ervan. Van hun handen zal het bloed van Isboseth geëist worden: ‘Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden; want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt.’
    Zo heeft David, koning bij de gratie Gods, gerechtigheid geoefend aan de moordenaars van Isboseth. Ook hier trekken we een lijn van David naar de grote Davids Zoon, de Heere Jezus Christus. De moordenaars van Isboseth meenden David een dienst te doen, maar het eindigde voor hen op een vreselijke manier.
    Wat zal het einde eveneens vreselijk zijn voor allen die door schijn van godsdienst hun broeders haten en uitwerpen en zeggen: ‘dat de Heere heerlijk worde!’ ´Hen doden en menen Gode een dienst te doen.’ Christus zal hun listen en daden doorzien. Hun verborgen motief zal Hem niet onbekend zijn. Eeuwige gerechtigheid zal Hij oefenen. Wat een teleurstelling zal het zijn. Gedacht de hemel te hebben verdiend en dan aan de eeuwige verdoemenis niet te ontkomen. Dan zullen ze op Zijn eisen het antwoord schuldig moeten blijven. Eeuwig zal Hij de kwaaddoeners van voor Zijn aangezicht wegdoen.
    Zalig wie zich hier als een schuldig en verdoemelijk zondaar leerde uitleveren en met de tollenaar leerde bidden: ‘o God! Wees mij zondaar genadig.’ Wat zal het voor dezulken eeuwig meevallen. Want Davids grote Zoon neemt de zondaars aan.

    Ds. W. Harinck

    Contact WebMaster