banner_kerk3.jpg
joomla responsive menu free

 

De les uit de dood van Abner

"En de koning David ging achter de baar."
2 Samuel 3:31

Abner, de steun en toeverlaat van Isboseth, schaart zich verrassend aan de zijde van David. Het komt zelfs tot het maken van een verbond tussen Abner en David. In dit verbond legt Abner vast er voor te zullen zorgen dat geheel Israël David als koning zal erkennen. Wat is toch de aanleiding geweest van de plotselinge ommezwaai van Abner? Hij blijkt goed op de hoogte te zijn van de beloften van God aan David en hij wil er zich voor inspannen dat die vervuld worden. Helaas zijn Abners motieven niet zuiver geweest. Zijn conflict met Isboseth begint als hij Rizpa, de bijvrouw van de overleden koning Saul, zich tot een vrouw neemt. Hiermee geeft Abner aan wat zijn bedoelingen zijn. Hij wil zelf koning worden. De bijvrouwen van de overleden koning zijn het eigendom van zijn troonopvolger. Zo ging dat in die oude tijden. Isboseth spreekt Abner aan op zijn gedrag. Er ontstaat een hevig conflict. In
zijn woede tegenover Isboseth zoekt Abner contact met David en sluiten beiden uiteindelijk een verbond. David heeft gedacht dat dit verbond met Abner hem voordeel brengen kon. Blijkbaar is Abner een man van invloed en gezag geweest. Wat zijn bijbedoelingen ook waren, David heeft van zijn diensten gebruik willen maken. En daar heeft de koning goed aan gedaan. Want het is goed dat er een einde komt aan de oorlog tussen het huis van Saul en David. Het is ook goed dat David op de troon komt en koning wordt over al de stammen van Israël. ‘Het was aan David even geoorloofd om van zijn tussenkomst gebruik te maken, als het aan een arme geoorloofd is om een aalmoes aan te nemen van een farizeeër, die haar in hoogmoed en geveinsdheid geeft’ (Matthew Henry). Dit politieke handelen van David valt echter bij Joab, zijn generaal, niet in goede aarde. Abner is immers de doodslager van zijn broer Asahel (zie 2 Samuël 2:18 en verder). Op sluwe wijze zet Joab voor Abner een val op en pleegt een moordaanslag in de poort. We moeten het doodsteken van Abner zien als een geval van onrechtvaardige bloedwraak. Abner heeft Joabs broer keer op keer gewaarschuwd te stoppen met de achtervolging. Hij heeft zijn leven willen sparen, maar Asahel was niet te stoppen. Abner heeft Asahel uit zelfverdediging gedood. Het is dan ook een goede beslissing van David geweest om Joab vanwege zijn daad des doodsschuldig te verklaren.  Nu ligt Abner op de doodbaar. Opnieuw is er bloed vergoten. Het houdt maar niet op. En David ging achter de baar en hij weende bij het graf. De man naar Gods hart is omringd met mannen die niet naar Gods hart waren. Toch heeft David geweend over de dood van Abner. Immers in deze spanningsvolle tijd van zijn beginnend koningschap zou Abner hem van grote dienst geweest kunnen zijn. De woorden die David spreekt bij het graf getuigen van zijn oprecht verdriet dat een man van veel kwaliteiten op zo’n wijze de dood heeft gevonden. Abner die de wankele balans tussen de verdeelde partijen in Israël verstevigen kon is het slachtoffer van verraad geworden. Dit heeft David diep geraakt. Er ligt echter ook een diepe les in. Heeft David niet te veel van Abner verwacht? Bouwde hij niet te veel op de wijsheid en de diplomatie van Abner? Laat dit de toepassing zijn bij deze episode uit Davids leven: ‘Vertrouwt niet op prinsen, op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is. Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijn aarde; te dienzelfden dage vergaan zijn aanslagen’ (Psalm 146:3,4).  Laten wij ons heil niet zoeken bij de Abners en de Joabs van onze dagen. Er is een beter deel! In Christus is het heil dat niet door list en geweld kan worden weggenomen. Christus, de Prins van de hemel, schenkt het heil dat blijft. Hetgeen Hij schenkt kan niet door list en bedrog verkregen, noch weggenomen worden. Leerden wij Hem volgen? Als Psalm 146 een Psalm van David is, dan heeft David uit deze smartelijke gebeurtenissen opnieuw lessen geleerd. De verwachting en de eer van mensen is gelijk als de levensadem die verdwijnt. O, wat is de mens! Hij keert weder tot stof. Zullen we dan op mensen bouwen? Zullen we dan op ijdelheid ons vertrouwen zetten? Dat zou grote dwaasheid zijn. Maar: ‘Welgelukzalig is hij, die de God Jakobs tot zijn hulp heeft’ (Psalm 146:5).

Ds. W. Harinck