kerk_002.jpg

Binnenkort

  • wo 19 feb. (14:30 - 16:15)
    Shaare Zedek mevr. v.d. Berg
  • ma 24 feb. (19:00 - )
    Zendingsavond
  • di 25 feb. (21:15 - 22:00)
    Ledenvergadering
  • za 07 mrt. (09:00 - 10:00)
    Doopzitting
  • zo 15 mrt. (09:30 - )
    Bediening HD
  • wo 18 mrt. (10:00 - 12:00)
    Inloopochtend
  • wo 25 mrt. (14:30 - 16:15)
    Israël en de Joodse godsdienst dhr. G. Kranendonk
  • di 31 mrt. (19:45 - )
    Jaarlijkse ledenvergadering
  • za 04 apr. (08:00 - )
    Paaspakketten
  • wo 29 apr. (14:30 - 16:15)
    Rien Mouw natuurfotograaf leven op de Veluwe
  • De zending van Gods heil

    "Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods den heidenen gezonden is, en dezelve zullen horen"
    Handelingen 28:28

    Nog maar nauwelijks is de apostel Paulus te Rome aangekomen, of hij stelt zich in verbinding met de voormannen van de Joden. Om zijn volksgenoten te bewegen tot het geloof in de Heere Jezus geeft hij met grote nadruk getuigenis aangaande het Koninkrijk Gods.  En het gevolg? Bij sommigen werkte de uiteenzetting die hij gaf zeer verhelderend. Zij gevoelden dat de woorden van de apostel waarheid waren. Het merendeel bleef zich echter verzetten, en toen de Joden reeds op het punt waren heen te gaan, haalde Paulus nog een woord aan van de profeet Jesaja, waar deze spreekt over het verstokte hart van Israël, dat met de oren wel hoort doch niet verstaat. Maar Paulus zegt nog méér. Hij maakt aan deze Joden, voor wie het zo
    vanzelfsprekend is dat hun de woorden Gods zijn toe betrouwd, nog een andere verborgenheid bekend, namelijk dat ook de heidenen mede-erfgenamen zijn van het heil van God: 'Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods den heidenen gezonden is, en dezelve zullen horen'.  Wie zendt de zaligheid? Dat doet God Zélf. En dat is maar gelukkig ook. Want wij mensen kunnen zenden en uitgezonden worden, maar de zaligheid tot de heidenen zenden, is voor ons absoluut onmogelijk. Dat doet de Heere Zelf. En omdat Hij het doet, kunnen en zullen heidenen roemen in Zijn werk.  De zaligheid Gods. Wat is dat, of liever: Wie is dat? Dat is de Heere Jezus Christus. Als Simeon in de tempel het Kindeke Jezus in zijn armen neemt, dan zingt hij: 'mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien'. Deze Middelaar is van God gegeven. Want van ons uit is de zaligheid in het Paradijs al verspeeld en verworpen. In Adam zijn wij van God afgevallen, en daarom ook verdreven uit de gemeenschap, uit de zaligheid Gods.  En wat is het dan ook een onbegrijpelijke genade dat God toch, vanwege de vrije gunst die eeuwig Hem bewoog, weer zaligheid in de wereld gezonden heeft in de Zoon van Zijn welbehagen. Deze Zaligmaker heeft de schande van het kruis gekozen boven de glorie van de hemel. Hoe lief had Hij het welbehagen van Zijn Vader, dat Hij Zich wilde geven om de weg te banen tot behoud van zondaren. Hoe lief had Hij ook het volk van Gods welbehagen, dat Hij Zich voor hen overgaf in de dood des kruises.  Deze zaligheid Gods kan nu alleen de onze worden in een weg waarin we onszelf als rampzalige zondaren leren kennen. En ook dat is Gods werk. Christus heeft niet alleen de zaligheid verworven, maar Hij past die zaligheid ook toe door de kracht van Zijn Heilige Geest. En hoezeer verschillend de wegen zijn die de Heere met Zijn kinderen gaat, hierin komen allen overeen: zij worden zondaar voor God. Dat wil zeggen: zij nemen de minste, de laagste plaats in voor God; zij buigen diep voor de Heere, roepend met de tollenaar: O God, wees mij zondaar genadig! Dat wil enerzijds zeggen dat we de Heere rechtvaardigen, ook al zou Hij nooit meer naar ons omzien, en anderzijds betekent het dat we onszelf veroordelen. En voor zulke mensen krijgt de zaligheid Gods zo'n waarde. In en door Hem, de Heere Jezus Christus, in Wie God de zaligheid geopenbaard heeft, kunnen doemwaardige zondaren voor God bestaan.  Toen tijdens de omwandeling van de Heere Jezus, er in het land van Tyrus en Sidon een heidense vrouw was, die zo om de zaligheid verlegen was dat zij riep: 'Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner', toen zei de Zaligmaker: 'vrouw, dat is de richting niet; Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis Israëls'. Die vrouw zei toen: 'ja Heere, dat is waar; dat weet ik dat de zaligheid eigenlijk niet aan mij gericht is; doch de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren'. En de Heere Jezus heeft toen gezegd: ‘O vrouw! groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt'. Toen reeds heeft Hij iets van de verborgenheid onthuld dat de zaligheid Gods de heidenen gezonden is. En dat, zegt Paulus tegen de Joden, zij u nu bekend.  In dit woord ligt een oordeel over Israël, en dit volk kan er maar op één manier recht onder verkeren, namelijk dat het er jaloers op wordt. Dat géve de Heere, dat het oude bondsvolk tot jaloersheid verwekt mag worden, opdat de grote Dag van de toekomst des Heeren nabij zal komen. Hier past echter
    ook zelfonderzoek. Want Paulus zegt als het ware door dit woord ook tot ons: kijk goed naar de Joden, want wat hun is overkomen, dat zou ook u kunnen overkomen.  Wanneer wij het Evangelie der zaligheid versmaden, dan zou het kunnen zijn dat God de richting nóg een keer wijzigt, en de kandelaar van het Woord Gods van ons weggenomen wordt, en overgebracht naar een plaats en een volk, waar naar het Woord werkelijk gehoord wordt. Van die rijke en gezegende vrucht op het zenden van de boodschap van de zaligheid Gods, wordt in dit Schriftwoord immers gesproken: 'en dezelve zullen horen'.  Dit woord klinkt zowel veroordelend als bemoedigend. Veroordelend, want de Joden hebben niet gehoord; zij hebben zich niet aan de zaligheid Gods gewonnen gegeven. En moet het ons wellicht óók veroordelen? Hebben wij gehoord? Bent u nooit bang dat de Heere het moe wordt om tot u te spreken omdat u zo slecht luistert en zo hardhorend bent? Wat is het erg als we ijveren voor veel in het koninkrijk van God, maar ondertussen zelf de zaligheid die God gezonden heeft, versmaden.  Zeker, u hebt gelijk, óók van de heidenen, ja van ieder die vervreemd van Gods Woord voortleeft, geldt net als van ons die zondag aan zondag dat Woord mogen horen, dat zij en wij van nature doof zijn voor de boodschap van de zaligheid Gods; dood in zonden en misdaden. Als Paulus hier zegt: 'en dezelve zullen horen', is dat ook niet omdat hij denkt dat de heidenen met brandende harten wachten op de boodschappers van de zaligheid Gods. Echt niet!  Maar wat een bemóediging: de apostel koestert bij alle arbeid in Gods koninkrijk geen verwachting van de mens, maar wel van de kracht van Woord en Geest. Paulus mag daaraan verbinden het zegel van Gods welbehagen dat door de hand van Christus gelukkig zal voortgaan. En daarom zal, hier en elders, dit woord in vervulling gaan: 'en dezelve zullen hóren'!

    Ds. J. Driessen

     

    Contact WebMaster