banner_kerk3.jpg
joomla responsive menu free

nieuwsflits

Verkiezing Predikant

Inzamelactie Biddag 2020

Binnenkort

  • zo 01 mrt. (20:15 - 21:00)
    Zing-Mee-Avond
  • wo 04 mrt. (19:45 - 21:30)
    Gemeenteavond met ds. Vreugdenhil
  • za 07 mrt. (09:00 - 10:00)
    Doopzitting
  • zo 15 mrt. (09:30 - )
    Bediening HD
  • wo 18 mrt. (10:00 - 12:00)
    Inloopochtend
  • wo 25 mrt. (14:30 - 16:15)
    Bijbelverspreiding dhr. A.H. van der Toorn
  • di 31 mrt. (19:45 - )
    Jaarlijkse ledenvergadering
  • za 04 apr. (08:00 - )
    Paaspakketten
  • wo 29 apr. (14:30 - 16:15)
    Rien Mouw natuurfotograaf leven op de Veluwe
  • wo 27 mei. (14:30 - 19:00)
    Student De Raaf
  • Contact WebMaster

    Davids getuigen en Sauls erkennen

    "Doch mijn hand verschoonde u…"
    1 Samuël 24:11

    "Gij zijt rechtvaardiger dan ik…"
    1 Samuël 24:18

    In plaats van wraak zoekt David verzoening. Hij had het leven van Saul kunnen nemen. Maar hij deed het niet. Zijn geweten sloeg hem (vers 6). Natuurlijk had David vervolgens met de afgesneden slip van Sauls mantel stil weg kunnen sluipen. Saul had dan slechts kunnen vermoeden hoe dat gekomen was. De aanstaande koning van Israël heeft het echter anders aangepakt. Hij heeft er een soort van proces van gemaakt. Een proces voor het aangezicht van de Heere. Als Saul de spelonk verlaat en zich op het horen van zijn naam omkeert, ziet hij David staan. Op datzelfde moment gaat de rechtszaak beginnen.
    David spreekt een indringende pleitrede uit. Hij geeft aan dat hij niet op de dood en ondergang van Saul uit is, zoals boze tongen beweren. Hij had immers de gelegenheid gehad om het leven van de koning te nemen. Maar ‘mijn hand verschoonde u’. Ik spaarde uw leven, zo getuigt David tegen Saul.
    Ook toont David respect voor het ambt waarin de Heere Saul geplaatst heeft. Voor God en mensen horen wij David verder betuigen dat zijn vertrouwen van de Heere is. Heel de zaak met Saul legt hij voor de Heere neer. Daarbij staat voor hem vast, dat hij zich niet wreken mag, maar dat de Heere Zelf recht zal doen.
    Wat een zegen om, net als David, onze zaak voor de Heere en voor de mensen open te leggen. Het geeft rust de dingen in Gods hand te geven. Dan hoeven we niet voor onszelf te strijden. Toch laat David ook niet over zich heenlopen. Op een gepaste manier komt hij op voor zichzelf. Daarbij maakt hij voor vriend en vijand duidelijk niet uit te zijn op Sauls ondergang. Ook leert Davids gedrag ons hoe we onze zaken aan de orde moeten stellen, namelijk door niet de wraak maar de verzoening te zoeken.
    Hier komt opnieuw de schone overeenkomst tussen David en Christus aan het licht. In het hart van Davids grote Zoon, de Heere Jezus Christus, was niet het zoeken naar wraak, maar verzoening. Daarbij gaat Hij niet aan het recht voorbij. Juist daarin is Christus de meerdere van David. Pleit David voor zichzelf. Christus pleit voor anderen. Hij pleit voor verloren zondaren.
    Toen het recht van God zich tegen Hem keerde, sprak Hij niet één woord. Als de Onschuldige neemt Hij de schuld van de schuldigen op Zich. Want Hij zoekt verzoening! Hij zoekt in de weg van recht de verzoening tussen God en verloren mensen aan te brengen.
    God heeft in het offer van Christus de verzoening gevonden. Nu is er een weg en een middel om de welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen.
    Meer dan David is hier. Hier werpt een pleitende Zaligmaker Zijn schaduw vooruit. Hebben wij Hem nodig gekregen om onze verloren zaak bij God te bepleiten?
    Daar staat Saul. Hij hoort het getuigen van David. Beschaamd moet hij zijn hoofd buigen: ‘Gij zijt rechtvaardiger dan ik; want gij hebt mij goed vergolden, en ik heb u kwaad vergolden’.
    Saul moet erkennen dat David gelijk heeft. Hij moet toegeven dat David in zijn recht staat. Ook moet hij bekennen dat David lankmoediger en barmhartiger is dan hij. David heeft immers zijn leven gespaard.
    Saul spreekt hier goede en mooie woorden. Hij lijkt zelfs het koningschap van David te erkennen en berouw te hebben en tot inkeer te komen. Het is helaas allemaal schijn.
    In doodsgevaar wordt Saul een moment vroom, maar als het gevaar geweken is, ebt zijn berouw en inkeer weer weg.
    Hier raken wij een ernstig punt. Mensen kunnen soms diep onder de indruk zijn en een grote verandering ondergaan. Maar alle tranen zijn geen ware boetetranen. Er is een soort van berouw en erkennen van schuld dat slechts ontstaat vanuit de omstandigheden en de liefde tot zichzelf. Het gaat dan meer over de gevolgen van de zonde dan over de zonde zelf. Gods Woord noemt dit de droefheid van de wereld.
    De droefheid die de Heilige Geest in het hart werkt, is een droefheid over de zonde zelf. Een droefheid naar God die voortkomt uit de liefde tot God. Deze droefheid werkt bekering.
    Het bewerkt een belijden van de zonde en een breken met de zonde. Met de verloren zoon staat de zondaar op om terug te keren tot de Heere. Het hart zoekt de vergeving van schuld en de verzoening met God.
    Zo zal de uitkomst leren of het berouw oprecht of geveinsd is.

    Ds. W. Harinck